zaterdag 25 oktober 2014

Zijn kunstmatige zoetstoffen veilig?

Midden september verscheen er een Israëlisch onderzoek in Nature dat in de media werd samengevat met ‘kunstmatige zoetstoffen geven muizen en mensen een grotere kans op diabetes type 2’. Dat werd veroorzaakt door een verandering van de samenstelling van darmbacteriën.

Muizen
Aan het drinkwater van gezonde muizen voegden de onderzoekers een van drie veel gebruikte zoetstoffen toe: sacharine, sucralose en aspartaam. Vooral de muizen die sacharine kregen hadden na elf weken hogere bloedsuikerspiegels. Dit is een aanwijzing voor een verminderde glucosetolerantie, dat een voorteken van diabetes 2 kan zijn.

Tijdens een vervolgexperiment waarbij de darmflora door antibiotica werd aangetast, bleek dat de darmbacteriën een rol speelden. Omdat de darmbacteriën van muizen die zoetstof hadden ingenomen sterk leken op de darmbacteriën van muizen die dik waren geworden door te veel te eten, kon worden geconcludeerd dat de darmbacteriën een rol speelde bij de verhoging van de bloedsuikerspiegel. 
Voor mensen hebben we niet veel aan de conclusies over muizen. Muizen reageren eenmaal anders dan mensen.

Mensen 
De onderzoekers vroegen 381 vrijwilligers of ze zoetstof gebruikten. De zoetstofgebruikers bleken gemiddeld dikker te zijn en een hoger bloedsuikergehalte te hebben dan niet-gebruikers. Dat hoeft geen bewijs te zijn dat je van zoetstoffen dikker wordt. Het kan best zo zijn dat deze mensen al dikker waren en daardoor zoetstof gebruikten om af te vallen. Energie inname en overgewicht zijn vermoedelijk confounders, waardoor geen causale conclusies kunnen worden getrokken tussen het gebruik van zoetstoffen en gewichtstoename en/of diabetes.

Maar personen met overgewicht onderrapporteren hun energie inname. Als je prospectieve onderzoeken niet corrigeert voor energie inname wordt bij gebruik van kunstmatige zoetstoffen wel degelijk een verhoogd risico op diabetes gevonden. Het lijkt er daarom op dat wellicht een waarschuwing voor kunstmatige zoetstoffen op zijn plaats kan zijn.

Daarna kregen zeven mensen een week lang de maximaal toegestane hoeveelheid sacharine. Dit is voor volwassenen de hoeveelheid van maximaal zestien glazen frisdrank per dag. Aan het eind van de week hadden vier van hen hogere en drie iets lagere bloedsuikerspiegels. Dat je bij 4 van 7 mensen glucose intolerantie kunt opwekken via modulatie van darmflora is ook zonder controlegroep opvallend. Het verwachtte aantal is immers nul. Jaap Seidell schrijft ergens dat hij geen moeite heeft met het aantal proefpersonen en de afwezigheid van een controlegroep. ‘De klassieke overvoedingsexperimenten van Horton, Salans en Sims die de basis zijn voor de huidige fysiologische inzichten zijn ook maar met een paar vrijwilligers uitgevoerd; de Nobelprijs voor de werking van insuline werd toegekend aan Banting en Best gebaseerd op experimenten bij een paar honden.’

Meerdere onderzoeken 
Uit een kleinschalig onderzoek kun je hypotheses formuleren. Maar voor algemene aanbevelingen zijn meer onderzoeken nodig. Die voorzichtigheid met zoetstoffen is dus niet alleen gebaseerd op het Nature onderzoek. Ook  dit onderzoek ondersteunt dat.

Ook Robert Hoenselaar vond een aantal onderzoeken die een aanwijzing zouden kunnen zijn dat voorzichtigheid geboden is: dit onderzoek, dit onderzoekdit onderzoek en dit onderzoek.

Andere aspecten
Mensen gaan lightdranken compenseren door de gedachten dat ze met een zoetje goed bezig zijn en dan dus wel een koekje kunnen eten. Deze compensatie kan tot gewichtstoename leiden. Tenslotte ondersteunen zoetstoffen de voorkeur voor zoet.  Als er geen zoetstof voorhanden is, is dat dus de voorkeur voor suiker. Bovendien zijn lightdranken  slecht voor het tandglazuur. 

Conclusie
Vanuit het voorzorgsprincipe zou de conclusie zijn om suikerhoudende dranken te mijden. De bewering ‘er is geen link tussen zoetstoffen en diabetes’ is momenteel net zo onwaar als  ‘zoetstoffen veroorzaken diabetes’. Omdat we het (nog) niet goed weten zou mijn advies zijn dit ook te communiceren. 

Praktisch
Als je dorst hebt, drink dan water of thee zonder suiker. En vermijd frisdrank.

donderdag 23 oktober 2014

Een foutje in mijn hoofd

Hoe schrijf ik over zo’n aangrijpend boek een blog, dat voldoende recht doet aan dit boek?

Dat gaat me sowieso niet lukken. Maar ik stap over deze drempel heen en probeer er toch een blog over te schrijven. Ik gebruik daarbij citaten van Simonne zelf, want zij kan dat natuurlijk veel beter dan ik dat kan.

Dit boek is geschreven door Simonne van Gennip, journaliste die toen ze zeven maanden zwanger was een hersenbloeding krijgt. Wat een respect hebt ik voor Simonne, maar ook voor haar man Peter en haar familie en goede vrienden.

Het was zo ernstig en aanvankelijk besefte Simmone dat zelf nauwelijks. Na drie dagen werd ze wakker in het ziekenhuis en begreep ze niet waarom haar man en moeder in het ziekenhuis hadden geslapen.  ‘Ook mijn moeder heeft thuis een veel fijner bed. Het lijkt mij best onhandig om hier te slapen.’ ‘Ze (haar moeder) glimlacht opnieuw en zegt dat ze blij is. Maar zo ziet ze er niet uit.’ ‘Ik wil mijn vader vragen wat ik hier doe, hem zeggen dat het best goed met me gaat, dat hij niet zo bezorgd hoeft te zijn en hem vragen hoe het met hem gaat.’ Ze heeft moeite met praten en ook lezen gaat niet meer. De rechterkant van haar lichaam kan ze nauwelijks bewegen. ‘Ze (haar moeder) glimlacht. Maar haar ogen doen niet mee.’

‘Ja. Nee. Misschien. Ik gok wat ze willen horen. De verpleegster vraagt me allerlei dingen, en ik heb geen idee wat ze eigenlijk wil weten.’ Ook vertelt Simonne hoe ze probeert om zelf vla te eten, maar dat lukt haar ondanks alle moeite niet. Gelukkig komt haar zus binnen, die haar kan helpen. Als je haar worsteling leest voel je haar machteloosheid. Ze wil wel, maar wordt volledig aan haar lot overgelaten. Wat een eenzaamheid.

‘Ik huil. Eindelijk. Een beetje. Omdat het kennelijk zo hoort. En omdat ik het naar vind dat hier mensen zijn die verdriet hebben. Om mij. En ik huil omdat er iets ergs met me aan de hand is. Iets heel ergs.’

Ook moet Simonne weer leren lopen. Dat is vanwege haar hersenbloeding sowieso een enorme klus voor haar, maar als je zeven maanden zwanger bent dan is dat nog veel lastiger.

Na dertien dagen krijgt ze bezoek van artsen die haar allerlei vragen stellen. Op veel praktische vragen weet ze het antwoord niet. ‘Maar als hij vraagt wat voor een werk ik doe, weet ik het. Bijna blij zeg ik ‘journalist’ en ik kijk hem trots aan. Maar als hij vraagt waar ik werk , en wat ik precies doe, weet ik het niet meer.’ Wat beangstigend moet dat voor Simonne zijn geweest.

En dan verlaat ze het ziekenhuis om naar een revalidatiecentrum te gaan. Hoog zwanger,  totaal ontheemd door alle nieuwe indrukken die haar overvallen. Wat moet ze daar veel. Dat wordt haar uitgelegd, maar dat is echt veel te veel informatie voor haar in deze situatie.  ‘Ik kijk haar (de verpleegster) aan. Ik snap het niet. Waar gaan we heen? Wat gaan we doen? Ik zit op die kamer die de mijne niet is, in een tehuis dat ik niet ken, met Peter (haar man) die hier niet blijft, in een omgeving waar ik niet wil zijn. Ik wil naar huis.’ ‘Ik was alleen.’ ‘Ik zou haar graag zeggen dat het een vergissing is dat ik hier ben.’ Alles is moeilijk daar, omdat Simonne in korte tijd zoveel moet leren.

Na bijna twee manden mag ze naar huis. Ze is een week thuis voordat ze naar het ziekenhuis gaat voor de geboorte van haar kind. Helaas moet  Julie (hun kind) eerst in een couveuse liggen. ‘Op de ziekenhuiskamer ben ik weer patiënt, geen moeder, nauwelijks mens. Ik voel me wanhopig en alleen. Ik huil. Met felle uithalen  en met gesnotter. Tot ik iets heb gevonden dat me kracht geeft. Julie Theresia Maria. Ik zeg haar naam, keer op keer.’

Als ze weer thuis is, is ze nooit alleen met Julie, omdat de kans bestaat  dat ze weer een hersenbloedig krijgt. En als ze dan eindelijk een keer een paar uurtjes alleen is ze zo overweldigend moe dat ze alleen maar kan slapen.

Elke week komt iemand langs om te helpen. Dit maal een vriendin die zegt dat ze niet zoveel heeft kunnen doen. ‘Ze heeft de was opgevouwen en de afwasmachine in- en uitgeruimd. Daarnaast heeft ze de krant gelezen, en nu zit ze voor haar werk te lezen. Weinig? Ik kijk naar haar. Ik ben alweer moe van het naar beneden komen, hallo zeggen; zij heeft simpelweg mijn huishouden gedaan, gelezen over wat er in de wereld aan de gang is en haar werk gedaan. Mijn God, hoe doet ze dat? Hoe kan ze die dingen op een dag, in een middag allemaal doen?’

Twee dagen per week gaat Simonne naar een revalidatiecentrum voor fysiotherapie, logopedie, ergotherapie en psychologie. Ze had met moeite ingestemd, omdat het goed voor haar was. ‘Ik haatte de patiënten. Ik haatte diegenen die niets zeiden of deden en ik haatte diegenen  die kletsen of er niets aan de hand was. Ze leken te veel op mij, allebei.’

‘Het onbegrip van sommige artsen, verpleegkundig personeel en andere hulpverleners was pijnlijk. Ze hadden te vaak haast of te weinig inlevingsvermogen om mij te kunnen begrijpen. En sommigen konden simpelweg niet goed luisteren. Er waren artsen en verpleegkundigen die wel het geduld konden opbrengen om te luisteren naar iemand die langzaam spreekt en niet altijd goed te volgen is. Dat was voor mij belangrijk. Want ik wilde wel , ik kon het alleen niet meer zo snel als vroeger.’ En ‘Maar nu ik ziek was en afhankelijk van hen, viel omgaan met onbegrip en onkunde me zwaar. Want ik was wel te begrijpen. Als mensen voldoende tijd en aandacht hadden.’

Een half jaar na de hersenbloeding werd Simonne bestraald. Pas twee jaar later zou duidelijk zijn of deze bestraling had geholpen en gelukkig was dat zo. In die twee jaar tijd is Simonne mede door medicatie enorm vooruit gegaan. Ook na twee jaren verbeterde tegen de verwachtingen bijvoorbeeld haar praten nog. Maar het is niet meer zo geworden zoals het vroeger was.

‘Een vriendin vindt het allemaal een kwestie van oefenen. ‘Als je iets niets kunt, moet je het opnieuw proberen. Steeds weer, totdat je het wel kunt. Het is uiteindelijk een kwestie van wilskracht.’ Ze had terwijl ze dit zei gekookt, ze had de kleding van haar kinderen opgevouwen en ze was ‘aan het bijkletsen’ met mij. Ik had gefascineerd geluisterd. Ik keek naar haar en naar alles wat ze deed. Wat wilde ik graag dat dit waar was. Wat zou het leven makkelijk zijn als haar theorie klopte, als het gewoon een kwestie van vaak doen was. Maar ik wist dat het mij niet zou lukken.’ Wat moet dat frustrerend zijn voor Simonne!

Inmiddels zijn Simonne en Peter de ouders van twee kinderen. Simonne werkt als vrijwillig eindredacteur bij het Haags Straatnieuws.

Ik kreeg kippenvel toen ik dit boek las. Op de eerste plaats omdat Simonne er zo fantastisch in slaagt haar gevoel over te brengen. Dat is sowieso een kunst, maar na een hersenbloeding wellicht een Olympische prestatie. Wat kan ze hier enorm trots op zijn.

Maar het boek staat voor meer. Iedereen die beleid maakt voor de participatiemaatschappij zou dit boek verplicht moeten lezen.  Met een patiënt voor ogen die zo graag wil, maar lang niet altijd kan wat de omgeving/maatschappij verwacht. Simonne had veel mensen die haar hielpen, maar dat geldt niet voor iedereen. Het kan niet zo zijn dat we in Nederland mensen die door ziekte machteloos zijn in de steek laten! (Ernstig) ziek zijn is al moeilijk genoeg en daarom verdienen patiënten alle steun die nodig is als recht en niet als gunst.

Lees dit boek en je wereld zal voor altijd een klein beetje anders zijn.

Praktisch 
Er waren mensen die me vroegen of de letters groot genoeg waren. Ik kan niet beoordelen of dit zo is als je een niet aangeboren hersenletsel hebt. Volgens Simonne zijn de letters voldoende groot, maar hoe je dat ervaart is ook persoonlijk. Simonne bespreekt met haar uitgever of er een versie kan komen met grotere letters of een luisterversie. De hoofdstukken zijn 1,5 - 2 pagina's. Dat kan voor mensen met een niet aangeboren hersenletsel prettig zijn.

maandag 20 oktober 2014

Maakt de burger gezondere keuzes door onduidelijke discussies?

Deze week was er een boeiende discussie bij de nachtcorrespondent.  Het onderwerp was hoe voedingsadviezen tot stand zouden moeten komen.  Kijken we uitsluitend epidemiologisch of  trekken we ook conclusies op basis van gezond verstand. Hierover ontstond een mooie discussie via twitter tussen Jaap Seidell, Stephan Peters en Dick Veerman van Foodlog. Deze discussie wordt ook op Foodlog gevoerd. 

Concreet ging het erom of je op basis van het huidige onderzoek kunt adviseren of frisdrankverkoop op scholen moet verdwijnen. Waarschuwing voor mijn gebruikelijke lezers: dit stuk gaat over hoe adviezen tot stand komen. Ik wil hier geen discussie voeren over wel of geen frisdranken, maar hoe we dat besluiten. Voor sommige van mijn volgers is dit een saai stuk.  Als je dat vindt, sla het dan over en lees al mijn andere posten.

Ongeveer twee jaar geleden werd er een onderzoek (o.a. van Jaap Seidell en Martijn Katan) gepubliceerd waaruit bleek dat kinderen slanker worden als ze anderhalf jaar lang limonade met zoetstof drinken in plaats van met suiker. Wetenschapsjournalist van Maanen stelde een aantal in mijn ogen relevante vragen over de conclusies. Van Maanen zegt dat je op basis van dit onderzoek geen definitieve aanbevelingen kunt doen. Jaap Seidell noemt dit via twitter methodologisch muggenziften en vindt dat je niet moet doorslaan en ook je gezonde verstand moet laten meewegen.

Dick Veerman zegt dat allebei  een beetje gelijk hebben.  En dat  juist Foodlog er is om in dit soort discussies tot een oordeel te komen. Jaap is dit met Dick eens. Stephan reageert daar echter op met deze tweet ‘Vraag is: vgl voedingswetenschap - topvoetbal: is Foodlog coach of VI International? Gaan we beter voetballen?’ en volgende tweets ‘Ik denk niet dat Foodlog de is host omdat door insteek er niet naar antwoorden wordt gezocht maar discussie doel is...’ en ‘de toon vaak niet sympathiek is en op personen gespeeld wordt. Dat is gemiste kans.’

Het gaat me niet om wie precies wat heeft gezegd. Maar het geeft zo mooi weer waar we tegen aanlopen als we de best mogelijke wetenschappelijke adviezen willen geven.  Ik vind uiteraard wetenschap van belang, maar het is minder eenduidig als dat je wellicht zou verwachten als buitenstaander.

Hans van Maanen heeft zuiver wetenschappelijk gelijk en stelt de goede vragen. Ik vond het eerder al opmerkelijk dan zijn vragen niet op prijs werden gesteld. De media was (statistisch gezien) veel te stellig met de conclusies die ze trokken over dit onderzoek. Maar als voedingsadvies alleen op epidemiologisch onderzoek wordt gebaseerd weten we eigenlijk nog bijna niets. Terwijl we fysiologisch eigenlijk best al redelijk wat weten.  Moeten we negeren wat we fysiologisch al weten of maken we daar gebruik van? Dat is niet zo’n eenvoudige vraag. Want wie stelt vast wat dan juist is. Dat is deels subjectief. Bij frisdrank met suiker zullen mensen die voedingsadvies geven grotendeels het wel met elkaar eens zijn dat we het beste kunnen adviseren om dit te beperken ook al is dat nog niet 100% duidelijk op basis van onderzoek. Maar bij sommige andere onderwerpen ligt dat toch wel wat anders. Denk bijvoorbeeld aan zoetstoffen die o.a. in frisdrank zitten. En wie bepaalt dan wat het advies is? En wanneer is het nog wetenschap en wanneer wordt de grens overschreden en geeft de wetenschapper een eigen mening in plaats van feiten. En juist over die onderwerpen waarover verschillend wordt gedacht wordt eindeloos op internet gepraat.

Maar hebben burgers hier ook wat aan? Ik denk niet dat de burger er ook maar iets mee opschiet. Niet met de discussie via twitter. Maar ook niet de discussies via Foodlog en andere media. Een aantal mensen wil laten zien dat ze de beste wetenschapper* zijn en gaan daarom enorm theoretische discussies voeren. Volstrekt onbegrijpelijk voor buitenstaanders en daardoor wekken deze discussies voornamelijk verwarring. Hoewel iedereen welkom is op Foodlog is er maar een select groepje inhoudsdeskundigen dat daadwerkelijk participeert aan het debat. Dan is er op Foodlog nog een extra handicap. Ongeacht welk onderwerp wordt besproken is er een persoon die altijd alles aan een overdaad aan koolhydraten linkt en daar oneindig de discussies mee verstoort.  Als mensen daar niet in mee gaan worden ze respectloos onderuit getrapt. Ik weet uit ervaring met mijn eigen blog dat dit soort gekrakeel veel lezers oplevert, extreem veel tijd kost maar inhoudelijk niets oplevert. Het gaat meer over mensen dan over inhoudelijke aspecten.

De inhoudsdeskundigen willen een respectvolle discussie met inhoudelijke argumenten. Als het goed is, gaat het hen niet om gelijk maar om tot de allerbeste begrijpelijke en bij voorkeur uitvoerbare adviezen te komen. Zodat het effect is dat mensen gezondere keuzes gaan maken. 

Persoonlijk wil ik graag inhoudelijk discussiëren, maar ik merk steeds vaker dat dat in ieder geval via sociale media zo goed als onmogelijk is. Als mensen hun zin niet krijgen in een discussie gaan ze naadloos over op beledigen van diegene waarvan ze de argumenten niet willen horen. Aanvankelijk had ik nog de illusie dat ik toch moest blijven proberen in contact te blijven. Inmiddels besef ik dat dit te idealistisch is. Emotionele mensen kun je niet bereiken met argumenten.

De afgelopen maanden sprak ik met een aantal voedingswetenschappers uit de industrie. Wat een verademing . Ik ben het echt niet altijd met hen eens maar zij willen oprecht een inhoudelijke discussie voeren en zijn er (uiteraard) niet  op uit mensen te beledigen omdat ze toevallig een andere mening hebben.

Terug naar de oorspronkelijke discussie. Voedingsadvies zou wat mij betreft gebaseerd moeten zijn op een afweging van epidemiologisch onderzoek en gezond verstand.  Hoe  goed ook bedoeld, ik denk niet dat het realistisch om elke burger bij deze afweging te betrekken. Dat is misschien jammer, maar democratie kan door slaan in oeverloos geklets dat tot niets leidt. Foodlog is daar voor mij een voorbeeld van. Je vraagt mij ook niet hoe je huis moet bouwen, omdat ik van funderingen en bouw echt totaal geen verstand heb en mijn menig er daarom niet toe doet om een goede beslissing te kunnen nemen.

Laten we als inhoudsdeskundigen onze verantwoordelijkheid nemen en het gemakkelijker maken voor burgers door samen te communiceren waar we het wel over eens zijn. We hebben geen superfood nodig maar gezond verstand! Concreet: meer groenten en fruit en minder koek, snoep en snacks. En beperk ook frisdrank. Een simpele boodschap maar als het lukt om mensen daadwerkelijk zover te krijgen resulteert dit in gezondheidswinst.

* ik heb geen mensen voor ogen en bedoel hiermee in ieder geval niet Jaap, Stephan of Dick.

zondag 19 oktober 2014

Hoe kies je een deskundig (FODMAP) therapeut?

Met verwondering zie ik regelmatig dat therapeuten overschatten wat ze aan kunnen bieden. Iemand die nooit eerder een medische opleiding heeft gevolgd en dan denkt dat je in zo'n 35 lesdagen meer leert dan een diëtist EN fysiotherapeut samen. Je hoeft toch niet heel lang na te denken dat dat onmogelijk is. Een goede therapeut heeft niet alleen vakkennis, maar misschien nog belangrijker weet goed waar de grens van behandelen ligt. En daar gaat het regelmatig fout.

De aanleiding van deze blog is een tweet van een medewerker van het Voedingscentrum met de tekst 'Laag FODMAP* dieet lijkt gunstig te zijn bij IBS. Niet zonder risico's. Dus begeleiding diëtist noodzakelijk.' Dat lijkt me meer dan logisch, maar dat is het niet voor iedereen. Deze tweet ging over FODMAP maar is (onbedoeld) een boodschap voor alle mensen die klachten hebben en begeleiding zoeken.

Waar moet je nu opletten als je een deskundig therapeut zoekt? Ik noem een paar aspecten. Mijn doel is niet om volledig te zijn. Kijk op de eerste plaats of je therapeut is opgeleid voor hetgeen hij/zij aanbiedt. En dat is als leek heel moeilijk te beoordelen. Iemand die slechts een opleiding van een jaar heeft gevolgd kan minder ingewikkelde problemen best begeleiden, maar moet de complexe zaken zoals FODMAP overlaten aan iemand die een degelijke voedingsopleiding heeft gevolgd. Ook hebben mensen opleidingen die in Nederland onbekend zijn. Vraag waar ze hun opleiding hebben gevolgd. Check even of deze opleiding ook daadwerkelijk bestaat. Ik vraag mensen af en toe wat ze precies hebben gedaan en dan blijken ze dat niet te kunnen vertellen. Als je echter op hun site kijkt lijkt het of ze serieuze opleidingen hebben gedaan. Iemand die liegt over zijn/haar opleiding die kun je toch niet serieus nemen?

Een hulpmiddel kan zijn om te checken of iemand lid is van een beroepsvereniging. Maar ook dat zegt lang niet alles. Er zijn goede en slechte beroepsverenigingen. En wat zegt een beroepsvereniging met een paar leden, die niet wordt vergoed door een verzekeraar? Je kunt het ook niet omdraaien. Het is niet zo dat iemand die geen lid is van een beroepsvereniging niet deskundig is.

Ook is een gezond wantrouwen op zijn plaats als iemand maar blijft benadrukken dat wetenschappelijk wordt gewerkt. Mensen die daar de juiste opleiding (een master) voor hebben benadrukken dat niet steeds. Voor hen is dat gewoon. Mensen die zich daarop voor staan kun je vragen of ze ook zelf wel eens wetenschappelijke artikelen lezen. En dan niet alleen de samenvatting maar het hele artikel. Als dat niet zo is, werken ze niet wetenschappelijk. Wetenschappelijk werken betekent immers dat je zelf nieuwe onderwerpen uitpluist en niet dat je een docent na praat die les geeft op basis van de best beschikbare (wetenschappelijke) info.

Een ander aspect is of het om de therapeut draait of om jou als cliënt. Een therapeut die zelf bijzonder graag aandacht heeft door bijvoorbeeld steeds in de media in ondergoed rond te springen kun je beter vermijden. Als cliënt ben je gebaat bij iemand die er voor jou is en niet andersom.

Kort samengevat: zorg goed voor je zelf en kies daarom de beste therapeut die er bestaat, dat ben je namelijk waard!

* dit is een beperkend dieet voor mensen met prikkelbaar darm syndroom

vrijdag 17 oktober 2014

Heeft kokos daadwerkelijk gezondheidseffecten?

Nee echt niet!

Waarom denken mensen dat dat wel zo is? Ik heb werkelijk geen flauw idee! Zou het wellicht kunnen dat we inmiddels zo vaak een goeroe na praten dat we het zelf daadwerkelijk gaan geloven. Ik zocht het echter eerder al uit.

Ik heb niets tegen kokosvet, maar bij het kiezen van vetten gaat het er vooral om dat je de essentiële vetzuren via je voeding binnen krijgt. Die krijg je minimaal binnen met het eten van kokosvet. Dus kokosvet als enige vetbron is geen goede keuze.