donderdag 25 juni 2015

Melk De Witte Sloper: de invloed van IGF en caseïne

Hiervoor schreef ik al eerdere posten over het boek Melk De Witte Sloper. Eerlijk gezegd wist ik zelf ook niet zo wat ik moest vinden van IGF en caseïne. Dit zijn wel belangrijke begrippen als je het over melk heb. Ik heb daarom hierover Anneke Palsma haar visie gevraagd. Als je graag wetenschappelijk onderbouwde informatie over voeding leest is haar blog een aanrader.

IGF-1 wordt in verband gebracht met de toename van de lengtegroei, maar (ook) hiervoor geldt dat het om een correlatie gaat in plaats van een causaal verband. Colostrum (de eerste melk van een koe) bevat veel IGF-1 om de groei van het kalf te stimuleren. Naarmate de lactatiefase van de koe langer duurt neemt de hoeveelheid IGF-1 in de melk af, totdat ze weer drachtig is. IGF-1 heeft invloed op de aanwas van spieren. Daarom staat het ook op de dopinglijst.

Caseïne is het deel van het melkeiwit dat uit grotere eiwitmoleculen bestaat. Caseïne zou ook de aminozuurgroepen bevatten die verantwoordelijk zijn voor koemelkallergie. De afbraak van caseïne neemt meer tijd in beslag dan wei-eiwitten, omdat wei-eiwitten voornamelijk uit korte keten aminozuren bestaat. Het leucinegehalte in wei is hoger dan van caseïne. Dat zijn gelijk ook de beide redenen, waarom wei-eiwit vaker gebruikt wordt voor snel spierherstel. Wei-eiwit wordt daarom ook wel een snel eiwit genoemd. Caseïne staat bekend als een traag eiwit, vanwege de moeilijke afbraak. Caseïne wordt daarom ook wel aangeraden om vlak voor de nacht te gebruiken voor het nachtelijk spierherstel.  In het boek staat dat volgens Campbell caseïne kanker zou veroorzaken.

Hij beschrijft dat ratten die een caseïne rijke voeding kregen vaker tumoren ontwikkelden dan ratten die een caseïne arme voeding kregen. De ratten werden blootgesteld aan aflatoxinen (een stof die leverkanker veroorzaakt) en kregen vervolgens al dan niet een levertumor. De conclusie van deze studies is dat een caseïne beperking mogelijk beschermt tegen het krijgen van levertumoren. Er zijn geen studies naar het effect van caseïne op het ontstaan van kanker bij mensen gedaan.

Op basis van de resultaten van deze studie bij ratten is in 2005 het boek The China Study verschenen. Hierin beschrijft hij onder andere dat caseïne – en alle andere dierlijke eiwitten – de kans op het krijgen van kanker vergroten. De resultaten bij ratten waarbij alleen is gekeken naar de invloed van caseïne op het ontstaan van levertumoren  wordt omgezet naar het effect van alle dierlijke eiwitten op het ontstaan van alle soorten tumoren bij mensen. Deze conclusie kan niet getrokken worden omdat ratten een andere stofwisseling hebben dan mensen. Ook kun je de effecten van caseïne niet vertalen naar alle dierlijke eiwitten. Bovendien kan een stof risico verhogend werken op het ontstaan van een bepaalde vorm van kanker en risico verlagend bij andere vormen van kanker.

In een artikel uit 2014 beschrijft Campbell dat bij een eiwitinname van  meer dan 10 energieprocent de vorming van tumoren sterk toeneemt (100% van de proefdieren ontwikkelde tumoren) versus minder dan 10 energieprocent eiwit waarbij 0% van de proefdieren tumoren ontwikkelde. De termen dierlijk eiwit en caseïne worden ook in deze publicatie door elkaar gebruikt. Campbell schrijft dat het dierlijk eiwit het risico op het krijgen van darm- en borsttumoren verhoogt. Dit is niet bij mensen aangetoond. Ook het ontstaan van prostaatkanker is niet aangetoond bij mensen maar alleen in een reageerbuisje en proefdieren.